Een vrijdagmiddag eind oktober. Bij een regionale verzekeraar zit een fictieve salarisadministrateur achter een spreadsheet met drie kolommen: aantal medewerkers, afgehandelde schadeclaims, loonbudget. Het personeelsaantal is al een jaar gelijk. Het aantal afgehandelde claims is gestegen, deels doordat nieuwe software de eenvoudige gevallen zonder menselijke tussenkomst sorteert. Het loonbudget voor januari biedt ruimte voor drie procent meer, net als vorig jaar en het jaar daarvoor. Ze kan niet weten dat het bedrag dat zij bewaakt in het hele land terrein verliest op het bedrag dat hoger op de resultatenrekening van haar bedrijf staat.

De landelijke versie van haar spreadsheet verscheen aan het eind van de maand. Fortune schreef op 31 oktober op basis van het rapport over arbeidsproductiviteit en kosten van het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics (BLS) dat het aandeel van arbeid in de productie in het tweede kwartaal van 2026 is gedaald naar 52,8 procent. Dat is het laagste peil sinds het begin van de reeks in 1947. Een kwartaal eerder was het 53,6 procent; het gemiddelde dit decennium ligt rond 55,6 procent. De reeks is rechtstreeks te controleren. De BLS-website weigert geautomatiseerde verzoeken om het persbericht, maar de tijdreeksen zijn wel toegankelijk. Daar staat dezelfde reeks als index met 2017 als basisjaar (100).

Wat de cijfers laten zien

In de zes jaar van 2016 tot en met 2021 bleef de index dicht bij 100, afgezien van een piek naar 104,2 tijdens de pandemie in het tweede kwartaal van 2020. In het eerste kwartaal van 2022 stond de index op 99,1. Daarna zakte hij naar 97,5 in het tweede kwartaal en 96,9 aan het eind van het jaar. In 2023 en 2024 schommelde hij rond 96,2 tot 96,9. Een tweede daling volgde: 95,7 eind 2025, 94,8 in het eerste kwartaal van dit jaar en 93,4 in het tweede. Dat laatste cijfer is volgens het BLS herzien. Sinds begin 2022 is de index met 5,7 procent gedaald. Ongeveer twee vijfde van die daling vond al in 2022 plaats.

Dezelfde tabellen laten zien wat er achter die ontwikkeling schuilgaat. De reële beloning per gewerkt uur, dus na correctie voor prijsveranderingen, daalde in het eerste kwartaal van 2026 met 1,4 procent en in het tweede met 3,3 procent. Tegelijk steeg de productie per uur met respectievelijk 0,8 en 1,4 procent. Het aantal gewerkte uren nam met 0,7 en 0,3 procent toe. Bij de eerste daling, in 2022, lag dat anders: na prijscorrectie zakte de beloning per uur in de eerste twee kwartalen met 6,7 en 8,6 procent, maar ook de productie per uur daalde. In geen van beide perioden laten de tabellen een instorting van het aantal gewerkte uren zien. Het was de beloning per uur die achterbleef.

Wie naar automatisering wijst

Fortune citeert Raymond Robertson, arbeidseconoom aan de Bush School of Government van Texas A&M. Als het arbeidsaandeel daalt, “moeten ofwel de verdiensten dalen, ofwel het aantal mensen”, zegt hij. De verschuiving naar kapitaal brengt hij in verband met automatisering: die vervangt volgens hem werknemers terwijl de productie per werknemer blijft stijgen. Hij verwacht dat de werkloosheid, die in september licht opliep naar 4,2 procent, de komende maanden verder stijgt en de lonen drukt. De banencijfers geven zijn lezing enige steun. In september kwamen er 29.000 banen bij, ongeveer een derde van wat economen hadden verwacht. In heel 2025 waren het er 584.000, tegen 2 miljoen in 2024.

Fortune is voorzichtig over wat de cijfers níét zeggen. Verdringing van banen door AI is volgens het blad “nog niet overtuigend zichtbaar in economische gegevens”. Het noemt andere mogelijke verklaringen. Economen van Morgan Stanley noemen de oorzaak van de recente productiviteitsstijging een “open vraag”: ze kan conjunctureel zijn in plaats van een gevolg van AI. Een door Fortune aangehaalde onderzoeksnotitie uit Oxford suggereert dat sommige bedrijven na een te grote wervingsronde personeel ontslaan en dat vervolgens aan AI toeschrijven. Grootschalig banenverlies door automatisering zou nog niet zijn opgetreden. Mark Regets van de National Foundation for American Policy wijst op de strengere immigratieaanpak. Volgens zijn organisatie is de in het buitenland geboren beroepsbevolking sinds januari 2025 met 1,1 miljoen tot 1,4 miljoen mensen gekrompen.

Een lange daling en de bevindingen over AI

Een dalend arbeidsaandeel is niet nieuw. Loukas Karabarbounis en Brent Neiman legden in 2013 vast dat het wereldwijde arbeidsaandeel sinds begin jaren tachtig in de meeste landen en bedrijfstakken was gedaald. Ongeveer de helft van de daling schreven ze toe aan de lagere relatieve prijs van investeringsgoederen, waardoor bedrijven arbeid door kapitaal vervingen. David Autor en medeauteurs betoogden in 2017 dat het lag aan de opkomst van “supersterbedrijven”: ondernemingen met hoge winsten en een laag arbeidsaandeel die hun sector gingen domineren. Geen van beide studies gaat over generatieve AI. Beide herinneren eraan dat deze reeks om allerlei redenen kan bewegen die weinig met één bepaalde technologie te maken hebben.

Studies die rechtstreeks naar AI kijken, vinden een beperkter effect. Erik Brynjolfsson, Bharat Chandar en Ruyu Chen onderzochten salarisgegevens van ADP over miljoenen werknemers tot en met juni 2026. Ze vonden geen aanwijzingen voor grootschalige verdringing in de economie als geheel. Wel lag de werkgelegenheid onder 22- tot 25-jarigen in beroepen die sterk aan AI blootstaan 19 procent lager dan wanneer ze dezelfde ontwikkeling had gevolgd als bij minder blootgestelde leeftijdgenoten. Dat verliep vooral via minder aanstellingen: de aanpassing zat in de werkgelegenheid en niet in het basissalaris. De onderzoekers noemen dit vroege beschrijvende aanwijzingen, geen schattingen van een oorzakelijk effect. In het Beige Book van oktober meldt de Federal Reserve dat er in vijf districten bedrijven waren die na productiviteitswinst door AI hun personeel via natuurlijk verloop lieten krimpen, aanstellingen uitstelden of minder nieuwe banen verwachtten.

Bij de productiviteit blijft het bewijs achter bij de verwachtingen. In opdracht van IT-dienstverlener Bytes Technology Group schreef The Productivity Institute van de Universiteit van Manchester een rapport dat The Register op 30 oktober samenvatte. Het verwijst naar onderzoek naar AI-ontwikkelgereedschap waarin de programmeeractiviteit met ongeveer 240 procent toenam, maar het aantal softwarereleases slechts met circa 30 procent. Mensen moesten het werk immers nog controleren en testen. Hoofdauteur Bart van Ark zegt: “De kloof tussen ambitie en werkelijkheid zit tussen die individuele efficiëntiewinst en duurzame bedrijfsresultaten.” Torsten Slok van Apollo schreef op 24 oktober dat de omzet per werknemer en de winstmarges gelijk blijven bij de S&P 493, de 493 bedrijven buiten de zeven grootste technologiebedrijven. Hij ziet “nog steeds geen tekenen dat AI de productiviteitsgroei aanjaagt”.

Twee lezingen van één cijfer

De stukken passen niet naadloos in elkaar. In Robertsons lezing vervangt automatisering mensen terwijl de productie per werknemer stijgt. De productie per uur groeide afgelopen kwartaal met 1,4 procent, maar zowel het rapport uit Manchester als Slok stelt dat de voordelen van AI niet doorwerken in de bedrijfsresultaten. Als AI weinig uitmaakt, moet iets anders de reële beloning per uur twee kwartalen hebben gedrukt terwijl de productie steeg. Elk van de genoemde alternatieve verklaringen komt daarvoor in aanmerking. Robertson erkent zelf: “De gegevens geven op dit moment een heel gemengd beeld.” Het record betreft bovendien één kwartaal en het BLS heeft dat cijfer al eens herzien.

Wat het cijfer wél laat zien, is waar het geld naartoe gaat. De productie per uur is gegroeid; de beloning voor dat uur is achtergebleven. Om vast te stellen of AI daar mede verantwoordelijk voor is, zijn jaren aan gegevens en betere maatstaven nodig dan één landelijke verhouding.

De denkbeeldige salarisadministrateur zal haar drie procent in het januariplan zetten. Wat haar collega’s daarvoor kunnen kopen, hangt af van de prijzen. De software zal intussen de eenvoudige schadedossiers blijven sorteren. Niets in de landelijke reeks vertelt of die software verklaart waarom het loon van haar collega’s minder waard is geworden, of dat ze simpelweg in hetzelfde gebouw draait terwijl de oorzaak elders ligt.

Referenties

  • Autor, D., Dorn, D., Katz, L. F., Patterson, C., & Van Reenen, J. (2017). The Fall of the Labor Share and the Rise of Superstar Firms. NBER Working Paper 23396. nber.org
  • Brynjolfsson, E., Chandar, B., & Chen, R. (2026). Canaries in the Coal Mine? Six Facts about the Recent Employment Effects of Artificial Intelligence. Stanford Digital Economy Lab. digitaleconomy.stanford.edu
  • Bureau of Labor Statistics (2026). Major Sector Productivity and Costs: Nonfarm Business, Labor share, index 2017=100 (PRS85006173). data.bls.gov
  • Bureau of Labor Statistics (2026). Major Sector Productivity and Costs: Nonfarm Business, Labor productivity (output per hour), percent change from previous quarter (PRS85006092). data.bls.gov
  • Bureau of Labor Statistics (2026). Major Sector Productivity and Costs: Nonfarm Business, Real hourly compensation, percent change from previous quarter (PRS85006152). data.bls.gov
  • Bureau of Labor Statistics (2026). Major Sector Productivity and Costs: Nonfarm Business, Hours worked, percent change from previous quarter (PRS85006032). data.bls.gov
  • Federal Reserve System (2026). Beige Book, October 2026: National Summary. federalreserve.gov
  • Karabarbounis, L., & Neiman, B. (2013). The Global Decline of the Labor Share. NBER Working Paper 19136. nber.org
  • Robinson, D. (2026). AI projects not paying off? Keep at it, says Uni Productivity Institute. The Register. theregister.com
  • Rogelberg, S. (2026). U.S. workers just took home their smallest share of capital since at least 1947, and the lowest ever recorded. Fortune. fortune.com
  • Slok, T. (2026). No Signs of AI Payoff Outside the Tech Sector. Apollo, The Daily Spark. apollo.com